Pensioenstelsel

Veranderingen vanaf 2023

De nieuwe pensioenwet Wet toekomst pensioenen (WTP) gaat naar verwachting volgend jaar in. Wat gaat er veranderen en wanneer?

Tekst: Dirk-Jan Plate en Reinout van der Heijden

Onverwacht hebben miljoenen burgers gehoord dat de pensioenuitkeringen – vaak voor het eerst in 12 jaar – hoger worden. Dat heeft maar beperkt te maken met de nieuwe Wet toekomst pensioenen die vanaf 2023 ingaat, maar vooral met de ontwikkelingen op de financiële markten. Bij veel pensioenfondsen is de dekkingsgraad in de loop van 2022 naar het hoogste niveau in jaren gestegen, vooral door de stijgende rente. De nieuwe wet leidt tot een aantal veranderingen.

Begeleiding

Wie met pensioen gaat, krijgt tijdig informatie van zijn pensioenfonds. Dat moet vanaf volgend jaar minder vrijblijvend worden. Pensioenfondsen moeten hun deelnemers uiterlijk 6 maanden voor de pensioendatum beginnen met begeleiden (voortraject) zodat zij betere keuzes kunnen maken. Deze begeleiding is verplicht vanaf 1 januari 2023. Begeleiden gaat een stuk verder dan informeren: je moet als deelnemer via een online keuzeomgeving goed de gevolgen van je keuzes kunnen overzien. Het pensioenfonds moet financieel inzicht geven en helpen bij het maken van keuzes. Wat gebeurt er als je je pensioen eerder of later laat ingaan, of als je kiest voor variabel pensioen of pensioen ineens.

10% ineens

Je kunt vanaf 1 juli 2023 kiezen om bij het ingaan van je pensioen maximaal 10% van de totale pensioenpot ineens te laten uitkeren. Het uitgekeerde bedrag wordt in een keer belast. Wie hiervoor kiest, kan niet meer kiezen voor een variabel pensioen waarbij je de eerste jaren na pensionering een hogere en daarna een lagere uitkering krijgt (of andersom).

De wettelijke mogelijkheid om te kiezen voor een bedrag ineens zou ingaan op 1 januari 2023, maar sommige pensioenfondsen zijn er nog niet klaar voor. Daarom heeft de Pensioenfederatie gelobbyd om de invoering van dit wetsartikel uit te stellen naar 1 juli en dat is gelukt. Zodoende hoeven pensioenfondsen pas eind 2022 te beginnen met informeren (begeleiding is een verplichting vanaf 1 januari) van deelnemers over de mogelijkheid van 10% ineens uitkeren.

Doorwerken met pensioenopbouw

Wie na de AOW-leeftijd blijft doorwerken, kan vanaf 2023 nog pensioen blijven opbouwen tot 5 jaar na de pensioendatum. Dat is aantrekkelijk voor mensen met te weinig pensioen. Zij stellen het uitbetalen van het ouderdomspensioen uit en bouwen bovendien extra pensioen op. Door beide maatregelen stijgt het pensioen flink. Let wel: niet iedere pensioenuitvoerder biedt deze mogelijkheid aan.

Jantine verdiende voor haar pensionering €3.000 netto per maand. Sinds het bereiken van de AOW-leeftijd ontvangt zij een AOW-uitkering en een pensioen. Bij elkaar €2.000 per maand. Als zij 3 dagen aan het werk blijft, levert dat nog eens €2.000 per maand op. Bij elkaar €4.000. Zij houdt meer nettoloon over dan voorheen, want zij betaalt geen AOW-premie meer vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij zou ervoor kunnen kiezen haar pensioen uit te stellen, wat haar na de uitstelperiode een hoger pensioen oplevert. Als zij tijdens de AOW-periode ook nog extra pensioen op kan bouwen, levert haar dat een nog hoger inkomen op.

Verder pensioen opbouwen kan via het pensioenfonds, maar ook individueel. Bij individueel pensioen geldt ook een opbouwdrempel (franchise), die wordt volgend jaar verhoogd van €12.837 naar €14.802. Let op of je bij het verder opbouwen via de pensioenregeling gebruik kunt maken van de doorsneepremie, of dat je een leeftijdsafhankelijke premie gaat betalen. Die is voor oudere werknemers vaak 2 tot 3 keer hoger dan voor jongeren. Je kunt dan beter individueel pensioen sparen en kiezen voor een tijdelijke pensioenuitkering van bijvoorbeeld 5 tot 15 jaar, in plaats van levenslang zoals bij pensioenregelingen verplicht is.

Meer zelf opbouwen

Zzp’ers en werknemers zonder pensioenregeling kunnen vanaf volgend jaar een meer volwaardig pensioen opbouwen. De maximale opbouw gaat van 13,3% naar 30% van het pensioengevend salaris. Dat geldt voor pensioenregelingen via de werkgever (tweede pijler) en voor individuele pensioenen (derde pijler). Als je over eerdere jaren pensioenpremie wilt inhalen, is dat vanaf volgend jaar een stuk gemakkelijker. Tot 2023 geldt de regel dat je extra inleg niet hoger mag zijn dan €7.587 per jaar (of €14.978 voor werknemers die maximaal 10 jaar van de AOW-datum verwijderd zijn). Nu is het maximum gesteld op €38.000. Ook werknemers met een matige pensioenregeling bij de werkgever kunnen hiervan gebruikmaken of extra sparen in hun werknemerspensioen. De beste oplossing is persoonlijk, afhankelijk van je wensen en financiële situatie.

Partnerpensioen

In het nieuwe stelsel moet de achterblijvende partner meer duidelijkheid krijgen over zijn inkomen als zijn partner overlijdt. Het nieuwe stelsel wordt tussen 2023 en 2027 ingevoerd, dus de komende jaren houdt de onzekerheid aan. Hoe snel is het pensioenfonds met het invoeren van de aanpassingen? Daar moet je als pensioendeelnemer goed op letten. Er zijn 3 situaties: partnerpensioen voor de pensioendatum, tussen 2 banen in en na de pensioendatum. Er is ook nog een vierde mogelijkheid, namelijk dat er – door specifieke eisen van het pensioenfonds – helemaal geen partnerpensioen is geregeld. Dat zal verbeterd worden door een uniform partnerbegrip.

Voor de pensioendatum Als iemand overlijdt, ontdekt de achterblijvende partner vaak tot zijn schrik dat het inkomen enorm daalt. Het uitgekeerde partnerpensioen valt meestal tegen, vooral als de overledene in het verleden van werkgever is gewisseld. In het nieuwe pensioenstelsel krijgen achterblijvers een beter pensioen als de partner overlijdt voor zijn pensioen. Dat is in ieder geval de bedoeling. Het partnerpensioen kan voor pensioendatum worden verzekerd tot maximaal 50% van het laatstgenoten salaris. Uiteindelijk bepalen sociale partners de hoogte van het te verzekeren percentage. Een verzekerd percentage bij overlijden voor pensioendatum van 30% is dus ook voorstelbaar. Belangrijk is dat het partnerpensioen voor pensionering niet langer afhankelijk is van je diensttijd bij de laatste werkgever.

Tussen twee banen in Er komt ook een verzekering van maximaal 3 maanden voor het geval iemand tussen 2 banen door komt te overlijden. Dat heet een ‘in between jobs’-uitloopdekking en is gelijk aan de partnerpensioendekking die geldt gedurende de WW-periode. Na afloop van deze perioden krijgt een voormalig deelnemer de mogelijkheid het partnerpensioen vrijwillig voort te zetten. Ieder jaar wordt hem om een verlenging gevraagd. De premie wordt betaald uit het kapitaal dat bedoeld is voor het ouderdomspensioen.

Na ingaan van het pensioen Overlijdt iemand na het bereiken van de AOW-leeftijd, dan is er in principe geen partnerpensioen meer. In het nieuwe stelsel bestaat opgebouwd partnerpensioen niet meer. Bestaande pensioenaanspraken worden overgeheveld naar de persoonlijke pensioenpot. Op de pensioendatum moet de eigenaar kiezen of hij een deel van zijn ouderdomspensioen wil inleveren om zijn partner bij zijn overlijden een levenslange uitkering te garanderen van maximaal 70% van het ouderdomspensioen. Dat is een dure verzekering, de verleiding kan groot zijn om hier toch maar niet voor te kiezen.

Partnerbegrip wordt uniform Soms is er helemaal geen partnerpensioen, omdat het pensioenfonds de samenwonende partner niet erkent. Sommige pensioenuitvoerders eisen van samenwoners zonder samenlevingscontract een gezamenlijke huishouding van 6 maanden, anderen van 5 jaar. In de nieuwe pensioenwet komt er een uniform partnerbegrip. Volgens het wetsvoorstel is een partner: echtgenoot, geregistreerd partner of ongehuwd samenwonend, met uitzondering van (groot)ouders, (klein)kinderen en stief- of pleegkinderen. Daarnaast moet er een gezamenlijke huishouding worden aangetoond door middel van een:

  • samenlevingscontract, officieel vastgesteld door de notaris. In het samenlevingscontract is minimaal vastgelegd dat de samenwoners bijdragen in de kosten voor het levensonderhoud en dat ze daadwerkelijk op hetzelfde adres wonen; of
  • partnerverklaring. Daarin verklaren de samenwoners een gezamenlijke huishouding te voeren en willen in het kader van de pensioenregeling als partner worden gezien; of
  • eenzijdige partnerverklaring. Daarin maakt de achterblijvende partner aannemelijk dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Voor uiterlijk 2027 moeten pensioenuitvoerders het uniforme partnerbegrip gaan toepassen wat hopelijk veel pijnlijke discussies scheelt. Sommige pensioenfondsen denken gelukkig mee, zoals blijkt uit dit voorbeeld uit de praktijk:

Egbert verandert op 1 januari 2022 van werkgever. In zijn oude pensioenregeling was zijn partner erkend, omdat hij meer dan 6 maanden met haar samenwoonde. Hij heeft geen samenlevingscontract. Als Egbert bij zijn nieuwe pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) probeert zijn Anw-hiaatverzekering voort te zetten, ontdekt hij dat zijn partner alleen meetelt met een samenlevingscontract. Aangezien dat onder de nieuwe wet anders wordt, is PMT toch bereid om de partner ook zonder samenlevingscontract te accepteren. Gelukkig maar. Als hij niet toevallig achter deze eis was gekomen, was bij PMT zijn voortijdige overlijden uitgelopen op een ramp voor zijn partner. Een probleem dat voor hem eerder niet bestond.

Overstap naar het nieuwe stelsel

De eerder bij pensioenfondsen opgebouwde pensioenen worden overgeheveld naar het nieuwe pensioensysteem. Daarvoor moet de huidige waarde voor iedereen contant worden gemaakt. Gaat dat wel goed? De Consumentenbond vindt het belangrijk dat dit gehele proces op een uniforme en zeer duidelijke wijze gebeurt. Je moet kunnen controleren of het pensioenfonds is uitgegaan van de juiste gegevens. In het verleden is al vaak genoeg aangetoond dat de administratie van het pensioenfonds gebreken vertoont. Die gebreken moeten aan het licht komen, voordat er kan worden overgedragen.

Loket voor vragen en klachten Vertrouwen komt met transparantie en goede communicatie. Er moet een pensioenloket komen waar deelnemers vragen kunnen stellen en terecht kunnen om hun berekening te laten controleren. Dit loket moet beschikbaar zijn totdat de gehele transitie is afgerond, ook gedurende de overgangsperiode van 10 jaar tot 2037. Is die periode voorbij, dan wordt het lastig om fouten gecompenseerd te krijgen. Er is immers geen collectieve pot meer waar dat uit kan gebeuren. Wij weten op basis van signalen en eigen onderzoek dat er structureel fouten gemaakt worden bij de huidige pensioenuitvoerders. Als het fout gaat, heeft de consument weinig wettelijke bescherming. De rechter oordeelt dat het pensioenreglement leidend is. Pensioenfondsen maken er vaak geen werk van om die fouten op te sporen en te corrigeren. Dat geldt niet voor alle pensioenfondsen. Wij hebben bij een onderzoek naar premievrije voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid gezien hoezeer dit per pensioenfonds verschilt (Geldgids oktober 2019, p.10). Toezichthouder AFM moet signalen over klachten en onvrede rapporteren aan EIOPA, de Europese toezichthouder op pensioenen en verzekeringen. Dat is op basis van de huidige klachtenregelingen onmogelijk. Daarom moet er een onafhankelijke klachteninstantie komen. De Consumentenbond wil dat combineren met een pensioenloket voor vragen. Daarom pleiten wij sinds juni 2021 voor de oprichting van een Pensioenautoriteit. Meer keuze Daarnaast pleit de Consumentenbond voor meer keuzemogelijkheden. Een nieuw stelsel moet de consument meer vrijheid bieden en is niet bedoeld om de positie van de sociale partners te versterken. Pensioen moet meer een product worden dat aansluit bij de persoonlijke situatie. Collectief is niet per definitie sociaal en solidair. Een collectief stelsel is voordelig voor mensen met een hoge levensverwachting en die zijn toch al beter gepositioneerd in het leven. Daarom zou de Consumentenbond bijvoorbeeld willen dat mensen op de pensioenleeftijd ook de mogelijkheid hebben te kiezen voor een tijdelijke uitkering en niet alleen levenslang. Een magazijnmedewerker leeft gemiddeld veel korter dan een directeur. In het huidige en het toekomstige stelsel subsidieert hij de directeur, door de verplichting het pensioen levenslang uit te keren.